Jongere generaties meestal rijker dan hun voorgangers
Jongere generaties in Nederland, zoals de millennials, hebben meestal meer geld en vermogen dan oudere generaties, zoals de babyboomers. Jongere mensen kunnen op dezelfde leeftijd meer kopen dan mensen vroeger konden. Dit komt omdat de koopkracht sinds 1977 vaak is gestegen.
Bijvoorbeeld, mensen geboren tussen 1970 en 1985 hebben op 45-jarige leeftijd bijna anderhalf keer zoveel koopkracht als de babyboomers. Maar mensen die jonger zijn dan 25 hebben juist minder te besteden, omdat zij langer naar school gaan. Als mensen ouder worden, groeit de koopkracht tot ongeveer 55 jaar.
Daarna wordt hij vaak minder. Bij babyboomers werd de koopkracht lager door de economische crisis in de jaren tachtig en doordat vrouwen minder gingen werken als ze kinderen kregen. Jongere generaties, zoals millennials, werken vaker door en hebben daardoor meer koopkracht als zij dertiger zijn.
Ook het vermogen van de jongere generaties is meestal groter. Dit komt omdat tussen 1993 en 2024 het vermogen van mensen is gegroeid. Tussen 2014 en 2022 stegen de huizenprijzen hard, waardoor mensen meer geld waard werden.
Na deze jaren daalde het vermogen een beetje, vooral door hoge inflatie. Jongere generaties hadden meer vermogen op jonge leeftijd dan oudere generaties vroeger hadden. Mensen uit de stille generatie, geboren voor 1945, hadden het minste vermogen.
Zij hadden ook minder vaak een eigen woning. Sinds de jaren zeventig bezitten steeds meer mensen hun eigen huis. Vooral mensen geboren tussen 1955 en 2000 hadden als twintiger even vaak een huis.
Jongeren van nu, generatie Z, kopen minder vaak een huis, omdat huizen duur zijn en er weinig huizen zijn. Het hoogste percentage van mensen met een eigen huis is bij de pragmaten, tussen 25 en 45 jaar oud. Oudere mensen uit de stille generatie hebben hun leven lang minder vaak een eigen huis.
Na hun pensioen neemt dat nog verder af.